Huygens ING VOC - Kenniscentrum




VOC - Kenniscentrum

Home
Oprichting, organisatie en ondergang van de VOC
Kamers van de VOC
Schepen van de VOC
De VOC Overzee
Belangrijkste gewesten overzee
Belangrijkste handelsproducten
Detailkaarten
Thema's
Literatuur
Adressen
geen e-mail meer

 
Huygens ING
Den Haag
Belangrijkste gewesten overzee

Kaap de Goede Hoop

Gezicht op de Tafelbaai, Vingboons-atlas, Bussum 1981

Gezicht op de Tafelbaai, Vingboons-atlas, Bussum 1981, p. 29

De VOC had op de lange zeeweg naar en van Azië, een reis die de schepen zo'n acht à negen maanden kostte, behoefte aan verversingsplaatsen. Dat kon bijvoorbeeld Sint Helena zijn, maar ook Kaap de Goede Hoop of Mauritius, waar men dan drinkwater, brandhout en vers vlees door middel van de jacht probeerde te bemachtigen. Naarmate de scheepvaart echter intensiever werd, steeg de behoefte aan een echt verversingsstation. Daartoe nam Jan van Riebeeck in 1652 namens de VOC het gebied van Kaap de Goede Hoop (kaart) in gebruik. In de schaduw van de Tafelberg werd kasteel De Goede Hoop gebouwd, waaromheen Kaapstad ontstond. Om op goedkope wijze te voorzien in voedsel werden door de VOC tuinen aangelegd voor het verbouwen van groente en fruit. In het binnenland hield men vee, al kocht men dit ook wel bij de lokale bevolking, de Khoikhoi, die toen Hottentotten werden genoemd. De opbrengsten van de landbouw en veeteelt van de Compagnie waren echter niet voldoende om alle passerende schepen te bevoorraden. Daarom werd in 1657 de landbouw geprivatiseerd, waarbij voormalig VOC-personeel land kreeg toegewezen om dit te bewerken. Deze landbouwers zijn bekend geworden als de Boeren. Daarmee ontstond een echte volksplanting, dat wil zeggen een kolonie waar Europeanen zich vestigden met de uitdrukkelijke wens er permanent te blijven.

De Boeren slaagden er in de loop van de tijd wel in voldoende voedsel te produceren om de schepen van de VOC te bevoorraden. Zij produceerden wijn, tarwe en slachtvee. Aanvankelijk gebeurde dit alleen in het directe achterland van Kaapstad, in plaatsen als Stellenbosch en Paarl. In de loop van de 18e eeuw werd de grens, met name door de Boeren die grote kudden hoornvee bezaten, verder landinwaarts uitgebreid tot enige honderden kilometers toe. Aangezien het land spaarzaam bevolkt was, ondervonden de Boeren lange tijd weinig problemen. De eerder genoemde Hottentotten liepen sterk in aantal terug door epidemieën en werden naar de kwalitatief mindere weidegronden verdreven. Omstreeks 1770 bereikten de meest vooruitgeschoven Boeren de voorposten van de zich in zuidelijke richting bewegende Bantustammen. Die hielden zich ook met de veeteelt bezig. Spoedig deden zich als gevolg van conflicten over weidegrond en diefstal van vee de eerste gewapende schermutselingen tussen de Boeren en de Bantus voor.

Economisch gesproken ging het de Boeren voor de wind, vooral diegenen die het dichtst bij Kaapstad woonden. Zij deden hun werk echter niet alleen. Meestal beschikten zij over een blanke medewerker, die men knecht noemde, en over slaven. De knecht diende vaak als opziener over het bedrijf en de slaven. In de 17e eeuw hadden de Boeren nog relatief weinig slaven, maar in de 18e nam hun aantal snel toe; een gemiddelde Boer had al gauw twintig of meer slaven. Omstreeks 1780 waren er ongeveer 10.000 slaven aan de Kaap. De meeste van hen waren afkomstig uit Zuidoost-Azië en India. Zij waren populairder dan de slaven uit naburig Madagaskar en Mozambique vanwege hun grotere vaardigheden als handwerkslieden. De meesten kwamen naar de Kaap in het gevolg van repatriërende compagniesdienaren, die hen aldaar van de hand deden, met name nadat de Heren XVII in 1713 bepaald hadden dat iedere slaaf die voet aan wal zou zetten in de Republiek vrij zou zijn.

Top