Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde VOC - Kenniscentrum




VOC - Kenniscentrum

Home
Oprichting, organisatie en ondergang van de VOC
Kamers van de VOC
Schepen van de VOC
De VOC Overzee
Belangrijkste gewesten overzee
Belangrijkste handelsproducten
Detailkaarten
Thema's
Literatuur
Adressen
geen e-mail meer

 
VOC-Kenniscentrum
KITLV
Postbus 9515
2300 RA Leiden

Belangrijkste gewesten overzee

Bengalen

Factorij aan de Hougli, 1665, schilderij van Hendrick van Schuylenburgh

Factorij aan de Hougli, 1665,
schilderij van Hendrick van Schuylenburgh, Rijksmuseum

Sinds 1634 was de VOC permanent aanwezig in Bengalen, een gebied aan de benedenloop van de Ganges in het noordoosten van India (kaart). De eerste contacten waren al in 1607 gemaakt, maar Bengalen had aanvankelijk geen prioriteit. Vanaf 1633 ressorteerde Bengalen onder het kantoor Coromandel; vanaf 1655 was het een zelfstandig gewest. Bengalen was een deel van het rijk van de Mogols, de dynastie die in de 16e eeuw heel het noorden van India had veroverd. De vorst, de zogenaamde grootmogol, verleende de Europese compagnieën in zijn rijk handelsrechten. Een belangrijk element hierin was de vrijstelling van de heffing van binnenlandse tollen. Dergelijke voorrechten waren te verkrijgen door betaling en geschenken. Bij iedere troonswisseling maakten de compagnieën dan ook hofreizen om hun zaak te bepleiten. De grootmogol resideerde meestal aan de bovenloop van de Ganges; het bestuur over Bengalen was overgelaten aan de nabob.

De belangrijkste vestiging van de VOC was Chinsura, meer dan honderd kilometer van zee gelegen aan de Hougli, één van de vele vertakkingen van de delta van de Ganges. De grotere schepen van de Compagnie konden vanwege de verzanding van de rivier echter maar tot halverwege de afstand tot Chinsura komen. Van hieruit exporteerde men in de loop van de tijd steeds meer textiel: van effen en gestreepte tot fijne gedecoreerde kleden. In de 17e eeuw werd tevens veel suiker verscheept. Verder stroomopwaarts op de Ganges bezat de Compagnie een vestiging in Kasimbazar, het centrum van de zijdeteelt. Ook dit product deed het in de 17e eeuw goed. Nog weer vele honderden kilometers stroomopwaarts, over de grens van Bengalen, in Bihar, had de VOC een kantoor in Patna, waar zich de productie van opium en salpeter concentreerden. Salpeter was een halffabrikaat dat voor de productie van buskruit van groot belang was. In de 18e eeuw was Bengalen door de vele mogelijkheden tot handeldrijven voor particuliere rekening voor het personeel van de VOC één van de lucratiefste standplaatsen in Azië.

De belangrijkste concurrenten van de VOC in Bengalen waren de Engelsen. In de 18e eeuw was hun hoofdkwartier in Calcutta, zuidelijk van Chinsura aan de Hougli, uitgegroeid tot een ware stapelmarkt. Omstreeks deze tijd begon het Mogolrijk in verval te raken. De nabob van Bengalen ging zich steeds meer als een onafhankelijke vorst te gedragen. Toen hij, bevreesd voor de toenemende greep van de Engelsen, hen beval de zonder toestemming gebouwde forten af te breken, kwam het tot een oorlog. In 1757 versloegen de Engelsen de nabob bij Plassey, mede dankzij het overlopen van diens legeraanvoerder. Daarmee namen de Engelsen feitelijk de macht in Bengalen over. Voor de VOC betekende dit een afbrokkeling van haar positie, omdat zij nu voor haar handel afhankelijk was van de luimen van de Engelsen.

Top